Terug naar alle leerbronnen

De gele patiënt

1. Een verhoogde plasmaconcentratie van welk molecuul is verantwoordelijk voor icterus (geelzucht)?
A. Bilirubine
B. Biliverdine
C. Stercobiline
D. Urobilinogeen

Bilirubine is een geelkleurig pigment dat vrijkomt bij de afbraak van hemoglobine.
Een verhoogde plasmaconcentratie van bilirubine (hyperbilirubinemie) leidt tot bilirubinedepositie in weefsels (huid, sclerae) en daarmee icterus.

2. Stelling: bilirubine is een lipofiel molecuul en heeft daarmee een laag verdelingsvolume. Deze stelling is:
A. Gedeeltelijk juist
B. Geheel juist
C. Geheel onjuist

Bilirubine is inderdaad lipofiel (vetlievend). Daarmee is het verdelingsvolume niet laag, maar juist hoog. Zie uitleg over verdelingsvolumes onder vraag 1 van de Farmaquiz. Het lipofiele bilirubine wordt in de bloedbaan vervoerd in een gebonden staat aan het plasma-eiwit albumine.

3. Welk orgaan is verreweg het belangrijkst voor de excretie van bilirubine?
A. De lever en darmen
B. De longen
C. De huid
D. De nieren

Bilirubine dat via de bloedbaan arriveert in de hepatocyten wordt via via de galwegen uitgescheiden richting de darmen. In de darmen wordt het bilirubine door darmbacteriën omgezet in urobilinogeen, hetgeen deels wordt gereabsorbeerd door de darmen en vervolgens via de bloedbaan via de nieren wordt uitgescheiden. Die omweg via de nieren levert echter slechts een kleine bijdrage aan de klaring van bilirubine. Het grootste deel van het urobilinogeen (ca. 80%) wordt omgezet in stercobiline, hetgeen verantwoordelijk is voor de bruine kleur van ontlasting.

4. Om de klaring van het lipofiele molecuul bilirubine mogelijk te maken, koppelt de lever hieraan een hydrofiel molecuul (= conjugatie). Zou dit niet gebeuren, dan zouden de bilirubinemoleculen zeer gemakkelijk in de darmen gereabsorbeerd worden en zou er snel een hyperbilirubinemie ontstaan. Het hydrofiele molecuul dat gekoppeld wordt aan bilirubine heet ‘glucuronzuur’. Het enzym dat dit bewerkstelligt is UDP-glucuronyltransferase. Wat voor type reactie is de omzetting van bilirubine in bilirubine-diglucuronide?
A. Een type I reactie
B. Een type II reactie

Type I reacties betreffen de koppeling van kleine hydrofiele moleculen zoals -OH aan een moedermolecuul. Dit gebeurt veelal door cytochroom P450 (CYP450-enzymen). Type II reacties betreffen de koppeling van grotere hydrofiele moleculen, zoals glucuronzuur, aan moedermoleculen.

5. De oorzaken van een hyperbilirubinemie zijn naar locatie van de pathologie in te delen naar ‘prehepatisch’, ‘hepatisch’ en ‘posthepatisch’. Welke antwoordoptie omschrijft een prehepatische oorzaak?
A. Galsteen in de ductus choledochus (choledocholithiase)
B. Vasculaire ondervulling
C. Resorptie van een groot hematoom
D. Virale hepatitis

PrehepatischHepatischPosthepatisch
BeschrijvingDusdanig hoog aanbod van bilirubine dat de (normaalwerkende) lever het niet allemaal kan verwerkenDusdanig beperkte werking van de lever dat zelfs een normaal bilirubine-aanbod niet kan worden verwerkt

In sommige gevallen: afvloedbelemmering in de lever (zie posthepatisch)
Verstoorde gallige afvloed van bilirubine
OorzakenHemolytische ziektes, zoals sikkelcelanemie, malaria of een G6PD-deficiëntie

Ineffectieve erythropoëse (erythrocytenaanmaak), bijvoorbeeld bij een vitamine B12-deficiëntie
Hepatocellulaire ziektes, zoals levercirrose, hepatitis, intoxicaties, maligniteiten van de lever (primaire tumoren, metastasen), erfelijke afwijkingen in het bilirubinemetabolisme

Intrahepatische galwegobstructie (bijv. door een strictuur of tumor)
Obstructie van de ductus choledochus (of druk op de ductus van buitenaf), bijvoorbeeld door een galsteen of tumor (cholangiocarcinoom, pancreaskopcarcinoom, papil van Vatercarcinoom)

6. In de diagnostiek bij patiënten met een hyperbilirubinemie is het onderscheid tussen de plasmaconcentratie ‘geconjugeerd bilirubine’ (ook wel: direct bilirubine) en ‘ongeconjugeerd bilirubine’ (ook wel: indirect bilirubine) van diagnostische waarde. Welke ziektecategorie kenmerkt zich door een verhoogd geconjugeerd bilirubine?
A. Prehepatisch
B. Hepatisch
C. Posthepatisch

Bij een hyperbilirubinemie met een posthepatische oorzaak is er in principe geen probleem in het functioneren van de lever. Het bilirubine wordt gewoon goed verwerkt (geconjugeerd) door de lever, maar het kan simpelweg niet aflopen richting de darmen. Hierdoor accumuleert het geconjugeerde bilirubine in de lever en diffundeert het terug in de bloedbaan. Er treedt een geconjugeerde hyperbilirubinemie op.

0
Je winkelmandje
  • Geen producten in de winkelwagen.